Parasieten

INLEIDING 

Onder parasieten verstaan we organismen die zich ten koste van andere organismen (uw huisdier) in stand houden en vermenigvuldigen. Klassieke voorbeelden zijn vlooien, wormen en teken.

Parasitaire infecties komen zeer frequent voor in België. De prevalentie is afhankelijk van de soort parasiet en van de levensgewoonten en de leeftijd van de dieren die kunnen besmet worden. Zo zijn kenneldieren en zwerfhonden en -katten meestal sterker besmet met parasieten dan huisdieren, en zijn jonge honden en katten op hun beurt zwaarder geïnfecteerd dan volwassen dieren.

Sommige parasieten hebben een beperkte invloed op hun gastheer, andere kunnen wel ziekte en ongemak veroorzaken bij uw huisdier. Vlooien zijn bijvoorbeeld een belangrijke oorzaak van huidproblemen bij hond en kat. Bepaalde uitheemse parasieten winnen dan weer aan belang als importziekte. Naast het klinisch belang voor hond en kat zelf, zijn verscheidene parasieten belangrijk als verwekkers van zoönosen. Zoönosen zijn ziekten die overgedragen worden van dier op mens en van mens op dier. Het is met andere woorden essentieel dat parasieten grondig en doeltreffend bestreden worden.

Bij de bestrijding moet rekening gehouden worden met de parasiet en diens levenswijze, het gewicht en de leeftijd (pups en kittens!) van het te behandelen dier en de werkingsduur van het gebruikte product.

 

 

VLOOIEN

Vlooien zijn kleine vleugelloze insecten met een lateraal afgeplat lichaam. Kenmerkend is het derde paar poten. Dit paar is ontwikkeld tot krachtige springpoten.

Cyclus: 
De larven ontwikkelen zich uit eieren die zich in de omgeving bevinden en leven van allerhande afval in de hokken en nesten van de gastheer. De larve zal vervellen en uiteindelijk een coccon spinnen rondom zichzelf. Vervolgens verpopt de larve in de coccon waar de pop tot zeven jaar kan overleven. Bij trillingen (voorbijkomen huisdier) komen de adulte vlooien uit de coccon en vallen aan. De volwassen vlooien leven op het dier. Nadat ze bloed gezogen hebben, leggen ze eieren die terechtkomen in de verblijfplaatsen van het dier.

Soorten:
Ctenocephalides canis: de ‘hondenvlo' komt universeel en zeer frequent voor. Deze soort valt naast de hond ook mens en kat aan.
Ctenocephalides felis: de ‘kattenvlo' komt eveneens universeel en frequent voor. Deze soort is in Europa de meest voorkomende vlo, zowel bij hond als kat.

Belang: 
Vlooien veroorzaken in de eerste plaats irritatie bij het bloedzuigen. Bovendien kan het speeksel van de vlo (dat vrijkomt bij het bloedzuigen) allergieën induceren: vlooienbeet dermatitis of vlooienallergie dermatitis. Vlooien spelen ook een rol als overdrager van ziektekiemen en als tussengastheer van de lintworm Dipylidium. Ook de mens kan gebeten worden door vlooien resulterend in erge jeuk.

Behandeling: 
Een goede vlooienbestrijding is zowel gericht tegen de volwassen vlooien op het dier als tegen de larven en eieren in de omgeving van het dier. Voor elke hond en kat, afhankelijk van het type huishouden en het leefmilieu, bestaat er een vlooienbestrijding ‘à la carte'. Na een kort gesprek kiest de dierenarts voor het beste middel of combinatie van middelen uit een breed wapenarsenaal. Er bestaat een uitgebreid gamma aan sprays, druppeltjes, vlooienbanden, orale middelen, injecteerbare middelen die elk zeer doeltreffend kunnen zijn indien juist gekozen en adequaat toegepast. Behandelen kan tevens preventief gebeuren in de warmere maanden van het jaar.

 

 

WORMEN

Meerdere wormsoorten kunnen uw huisdier parasiteren. De belangrijkste onder hen zijn in onze streken de spoelwormen en de lintwormen.

Soorten:
De bekendste wormsoort bij de hond is zeker de hondenspoelworm Toxocara canis. Deze worm is vooral bij pups van klinisch belang. Daarnaast is T. canis een belangrijke zoönose.

De tegenhanger bij de kat, Toxocara cati, komt eveneens frequent voor, maar vaker bij zwerfkatten dan bij huiskatten. Deze spoelworm is minder pathogeen dan de hondenspoelworm en speelt een mindere rol als zoönose.

Dipylidium caninum is een lintworm met een zeer hoge prevalentie bij honden en katten. De cyclus van deze worm verloopt via de vlo. Zelfs bij goed verzorgde dieren zijn vlooien geen zeldzame parasieten, zodat in principe alle honden en katten op elke leeftijd kunnen besmet worden met D. caninum.

Andere lintwormen behoren tot de Taenia subspecies en Echinococcus subspecies. Infecties met deze soorten gebeuren door carnivorisme (het eten van rauw, besmet vlees of besmet ongedierte). De Echinococcus soorten vormen een risico voor de mens als zoönose.

Belang:
De meeste worminfecties vormen geen groot klinisch risico voor uw dier, maar kunnen wel verantwoordelijk zijn voor een verminderde algemene conditie. Dieren met wormen moeten echter wél behandeld worden daar ze een bron van besmetting kunnen vormen voor de mens.

Behandeling:
Er bestaat een groot aanbod ontwormingsmiddelen, maar het is van belang dat ze tegen de gewenste wormsoorten actief zijn, zowel tegen spoelwormen als lintwormen. Men behandelt best preventief volgens onderstaand schema. Bij het behandelen tegen D. caninum is het tevens van belang vlooien te bestrijden. Het voederen van rauw vlees of slachtafval is af te raden in het kader van de andere lintworminfecties.

Hond

Pups: op 2, 4, 6 en 8 weken leeftijd
Jonge honden: vanaf 8 weken om de maand tot een leeftijd van 6 maanden
Moederdieren: tegelijk met de pups
Volwassen honden: 3 tot 4 keer per jaar

Kat

Kittens: 3, 5, 7 en 9 weken leeftijd
Jonge katten: vanaf 9 weken om de maand tot een leeftijd van 6 maanden
Moederdieren: tegelijk met de kittens
Volwassen dieren: 3 tot 4 keer per jaar


Buitenland:
In het buitenland, bijvoorbeeld in gebieden met een ander klimaat, loopt uw huisdier risico op besmetting met nog andere wormsoorten. Het is m.a.w. belangrijk u goed te informeren voor u naar het buitenland vertrekt. Wormen zoals Dirofilaria immitis (hartworm) en Ancylostoma caninum (haakworm) komen bijvoorbeeld voor in Zuid-Europa en de (sub)tropen en vormen een reëel gevaar voor uw dier.

 

 

TEKEN 

 

Teken zijn belangrijke uitwendige parasieten die tot de familie van de spinachtigen behoren. Ze hebben belang door hun direct traumatisch effect en irritatie, maar vooral als overbrengers (vectoren) van andere parasieten, bacteriën (Bvb. ziekte van Lyme) en virussen. Dieren kunnen teken oplopen in hoog gras, struiken, bossen, enz. De teken kunnen over het gehele lichaam voorkomen, maar worden vooral gezien op de kop en de oren. Wanneer slechts enkele teken aanwezig zijn, kunnen deze manueel verwijderd worden met bvb. een tekentang. Bij grote aantallen dient de hond plaatselijk behandeld te worden met een tekendodend middel, eventueel in combinatie met een product met ‘repellent' werking. Preventief kan men gebruik maken van een anti-parasitaire halsband of spot-on formuleringen.

 

 

 

ZANDVLIEGEN EN MUGGEN

Het belang van zandvliegen en muggen situeert zich voornamelijk in Zuid Europa en de (sub)tropen. Deze insecten zijn namelijk belangrijke vectoren (overbrengers) van verschillende (dodelijke) infectieziekten. Zandvliegen kunnen bijvoorbeeld Leishmania overdragen. Wanneer men met een huisdier naar het buitenland trekt, kan het belangrijk zijn preventief te werken tegen zandvliegen en muggen. Er bestaan verscheidene producten die uw dier voor een bepaalde tijd beschermen tegen dergelijke insecten.

 

 

ANDERE PARASIETEN 

Andere huidparasieten zijn schurftmijten die door de dierenarts bij huidonderzoek (afkrabsel + microscopie) kunnen gevonden worden.

Eveneens bestaan er andere darmparasieten die verantwoordelijk kunnen zijn voor diarree. Aangezien deze zaken niet preventief kunnen behandeld worden door de eigenaar, wordt er niet verder over uitgewijd.