Vaccinatie

Zeker bij konijnen die buiten worden gehouden (al is dat maar 5 minuten per dag) of konijnen die vers groenvoeder vanuit de tuin krijgen, raden wij ten zeerste aan te vaccineren.

RHD (Rabbit Haemorrhagic Disease)
 

RHD wordt veroorzaakt door een calicivirus en komt alleen voor bij konijnen. Waarschijnlijk komt dit virus al langere tijd voor bij konijnen maar is deze gemuteerd naar een dodelijke vorm. Alleen jonge konijnen tot 6 weken worden niet ziek, mogelijk omwille van antistoffen in de moedermelk.

 

Symptomen

 

RHD is een dodelijke virusinfectie bij konijnen. Het kan binnen een paar uur leiden tot sterfte. Meestal zijn er geen klinische symptomen en treft men het konijn plots dood aan. In geval van een trager ziekteverloop zien we sufheid, stoppen met eten, bloedingen uit neus, schreeuwen en uiteindelijk sterfte.

 

Overdracht van het virus

 

Het virus kan zowel via direct als indirect contact overgebracht worden. Directe overdracht komt tot stand door rechtstreeks contact met lichaamsvocht of uitwerpselen van besmette dieren. Een konijn kan indirect besmet worden door contact met besmet gras en groenvoer, door stekende insecten of door de mens (kleding en schoeisel). Tamme konijnen worden vaak besmet door dit indirect contact omdat het virus tot 3 maanden kan overleven op bijvoorbeeld kleding. Het virus is erg hardnekkig en zeer moeilijk te elimineren. Een grondige desinfectie van de omgeving is aangewezen.

 

Preventie

 

Eenmaal het konijn besmet is met RHD, is er geen genezing meer mogelijk. De enige mogelijke preventie is vaccineren! Ook hygiëne is belangrijk om indirecte besmetting te voorkomen. De primo-vaccinatie (allereerste vaccinatie van een jong konijn) geschiedt op een leeftijd van 10 weken. Het vaccin biedt bescherming gedurende 6 maanden. Twee maal vaccineren per jaar geeft met andere woorden de optimale bescherming.

Myxomatose
 

Myxomatose is een ernstige virusinfectie bij konijnen en wordt veroorzaakt door een poxvirus. Het is een zeer resistent virus waarvan verschillende stammen bekend zijn.

 

 

Symptomen

 

De tijd tussen besmetting en de eerste symptomen (incubatietijd) bedraagt 10 tot 20 dagen. De ziekte kenmerkt zich door uitgesproken huidverdikkingen of 'myxomen', voornamelijk aan de oogleden, de lippen, de neus, aan de binnenkant van de oren, en onder de staart. Deze verdikkingen zijn opvallend gelatineus en kunnen groter en vochtiger worden binnen een paar dagen. Door de zwelling rond de ogen kan het konijn niet meer zien. Wilde konijn vormen op die manier een gemakkelijke prooi voor roofdieren. Etterige oog- en neusvloei zijn mogelijk wanneer bacteriën de infectie compliceren. De dieren sterven meestal binnen enkele dagen na het begin van de symptomen door aantasting van de inwendige organen (o.a. de long). In het wild overleeft slechts 5 tot 10%. Bij tamme konijnen die goed behandeld worden ligt dit percentage iets hoger. Tegenwoordig komt ook een meer chronisch verlopende vorm van myxomatose voor. Bij deze vorm zijn de symptomen minder uitsproken en is de prognose veel gunstiger, al verloopt het herstel wel over meerdere weken.

 

Overdracht van het virus

 

Virus overdracht gebeurt rechtstreeks door contact met besmette dieren of indirect door mechanische vectoren. Mechanische vectoren zijn voorwerpen uit de omgeving (bvb. doornen aan struiken) of bloedzuigende insecten (muggen, konijnenvlo).

 

Behandeling

 

In het geval van een minder virulente vorm van myxomatose is een behandeling zeker zinvol. De konijnen worden symptomatisch en ondersteunend behandeld. Antibiotica wordt toegediend ter bestrijding van de secundaire bacteriële infecties.

 

Preventie

 

Preventie gebeurt ten eerste door hygiënische maatregelen, gericht op het vermijden van besmetting vanuit de wilde konijnenpopulatie. Contact met wilde konijnen moet m.a.w. ten zeerste vermeden worden. Verder dient men het konijn te beschermen tegen muggen (plaatsen van muggengaas rond open hok) en tegen vlooien en andere insecten (specifieke vlooienbestrijding). Tamme konijnen kan men ook beschermen door vaccinatie. Vaccinatie en rappel vaccinatie zijn aangewezen vlak vóór de lente. Soms ontstaat een entreactie onder de vorm van een zwelling op de plek van de injectie. Deze zwelling verdwijnt spontaan.